Hechting bij kinderen: de dooddoener voor vrijwilligerswerk

Het is mijn laatste dag op mijn project. Twee maanden lang heb ik mij ingezet voor straatkinderen in Oeganda. Ik wil iets leuks doen als afscheid en besluit om frisdrank te halen voor de kids. John, twaalf jaar oud, geboren in Rwanda en gevlucht zonder zijn familie naar Oeganda, wilt wel met mij meelopen. Hand in hand lopen we door de sloppenwijk heen. Ik heb spijt dat ik mijn teenslippers heb aangedaan, omdat ik de drugsspuiten en afval met moeite kan ontwijken. John springt echter heen en weer tussen het afval en hoor je niet klagen op zijn blote voeten. Alles is relatief.

“Mag ik met jou mee, Jolande?” vraagt John aan mij.

Ik krijg tranen in mijn ogen. Niets liever wil ik hem in mijn armen sluiten en meenemen naar Nederland. Ook al woon ik straks op veertien vierkante meter en studeer ik. Geen ideale situatie voor een kind erbij. Maar het maakt niet uit: alles is beter dan hier.

Althans vanuit mijn perspectief.

Toch zeg ik nee. Ik kan hem niet meenemen. Een stemmetje in mijn hoofd vertelt mij dat ik nee moet zeggen terwijl mijn hart ‘ja’ schreeuwt.

John krijgt tranen in zijn ogen en er druppelt er eentje via zijn wang naar zijn kaak. Het zoute water uit zijn oog neemt het stof op zijn wang mee naar beneden.

Ik realiseer het mij daar, op dat moment. Twee maanden te laat, in het midden van de sloppenwijk, dat ik te ver ben gegaan. Ik had nooit zo’n enorme band met John moeten ophouden. Voor mij niet, maar ook vooral voor hem niet.

Hechting bij kinderen: de dooddoener voor vrijwilligerswerk

Noot: dit is vanwege privacy redenen niet de jongen uit bovenstaande voorbeeld, daarnaast is zijn naam in het voorbeeld ook geanonimiseerd. 

Vrijwilligerswerk en hechting in het nieuws

Al een aantal jaar staat vrijwilligerswerk slecht in het nieuws. Dan heb ik het niet over het feit dat je voor vrijwilligerswerk moet betalen. Nee. Ik heb het over het feit dat vrijwilligerswerk slecht zou zijn voor kinderen.

Vrijwilligers zouden hechtingsstoornissen bij kinderen in ontwikkelingslanden veroorzaken, in stand houden of vergroten. Mijn persoonlijke verhaal van hierboven is een typisch voorbeeld waarin het nieuws ‘bewijst’ dat vrijwilligerswerk slecht is.

Hoe krijgt een kind een hechtingsstoornis?

Om hier wat verder over door te kunnen praten, zal ik eerst even kort vertellen wat een hechtingsstoornis is. Deze term wordt vaak in het populaire nieuws gebruikt, maar nauwelijks toegelicht.

Als je als kind geboren wordt, is het belangrijk dat je door een vast figuur wordt opgevoed. Je moet namelijk eten krijgen, onderdak en veiligheid hebben. Daarnaast is het voor kinderen hartstikke moeilijk om de wereld te begrijpen, om te gaan met stress en hun eigen emoties te reguleren. Een volwassene kan hierbij helpen. Als er dan iets ergs gebeurd, is het belangrijk dat er een vast figuur in het leven van het kind is die hem daarbij kan steunen.

Heel veel kinderen hebben dit vaste figuur helaas niet. Niet alleen in ontwikkelingslanden, maar ook in Nederland kom je genoeg kinderen tegen die zonder goede verzorgers opgroeien. Ikzelf studeerde af op een school speciaal voor kinderen met hechtingsproblemen. Bizarre verhalen, ook van Nederlandse kinderen, heb ik hier meegekregen. Veel ouders zijn helaas toch niet in staat om hun kinderen zelf goed op te voeden.

Wanneer een kind te veel stress heeft gekend in zijn kindertijd en daarbij geen verzorger had om op terug te vallen, dan kan hij hechtingsproblemen of een hechtingsstoornis krijgen. Waarbij een hechtingsstoornis de ‘ergere’ variant is en onomkeerbaar kan zijn.

Oké, een kind heeft een hechtingsstoornis: en dan?

De gevolgen van hechtingsproblemen en een hechtingsstoornis verschillen enorm per kind. Bijvoorbeeld in heftigheid en op welke momenten het naar boven komt. Maar super kort door de bocht kunnen we zeggen dat een kind moeite heeft om:

  1. Relaties op te bouwen: dit kan lastig zijn wanneer een kind een nieuwe verzorger krijgt, maar ook met vriendjes maken, of in een liefdesrelatie;
  2. Stress te reguleren: dus als er bijvoorbeeld iets vervelends gebeurd in het leven, dan kan een kind hier minder goed mee omgaan;
  3. Te vertrouwen: in zichzelf en in anderen.

Uit onderzoek blijkt zelfs dat kinderen met een hechtingsstoornis een andere hersenontwikkeling hebben. Dit heeft gevolgen voor het leren op school, maar ook bijvoorbeeld in hun sociale ontwikkeling.

Twee soorten type kinderen met een hechtingsstoornis

De hechtingsstoornis kan vervolgens (weer super kort door de bocht) voor twee verschillende type kinderen zorgen:

  1. Het geremde type: deze kinderen blijven het liefst zo ver mogelijk weg van volwassenen en willen geen contact maken.
  2. Het ontremde type: deze kinderen springen juist het allerliefst op de volwassenen, het zijn echte allemansvriendjes. Toch kan je ook geen ‘echte’ relatie met deze kinderen opbouwen.

Hoe zie je hechting terug op je vrijwilligersproject?

Het geremde en ontremde type kind, kom je vaak tegen op vrijwilligersprojecten. Met name kinderen die opgroeien in weeshuizen hebben een grote kans om hechtingsproblemen en al dan niet een hechtingsstoornis te ontwikkelen.

Mijn project was niet zozeer een weeshuis: het was geen opvang voor de straatkinderen. Wel konden de straatkinderen elke dag langskomen om eten te halen, spelletjes te spelen en wat lessen te volgen.

Op mijn allereerste dag op mijn project had ik inderdaad meteen al een aantal kinderen aan mijn been hangen (het ontremde type). Daarnaast waren er meerdere kinderen waar nauwelijks contact mee te maken was (het geremde type).

Mijn ervaring met hechtingsproblemen

Toen ik als 20-jarig meisje bij mijn project aankwam, had ik geen idee dat er überhaupt iets bestond als een hechtingsprobleem. De kinderen die als een soort van clowns de hele dag voor mijn neus sprongen en aan mijn been hingen, vond ik lief en aandoenlijk. De moeilijke verhalen die ik gaandeweg hoorde, zorgden ervoor dat ik zoveel mogelijk liefde aan deze kinderen wilde geven. De kinderen die op afstand bleven, vond ik moeilijk om te benaderen. Ik ‘liet’ ze maar. Ik had geen idee dat deze kinderen eigenlijk ook aandacht nodig hadden.

Hoewel de projecteigenaar tegen mij zei dat ik deze kinderen op afstand moest houden, niet te veel een band moest opbouwen en vooral niet moest knuffelen, deed ik dit toch.

Irritante puber was ik toch ook eigenlijk 😉

Alle vrijwilligers deden het. Dus ik deed het ook. Of deed ik het eerst en deden alle andere vrijwilligers het daarom ook? Geen idee.

Moeten vrijwilligers wel of niet werken met kinderen met een hechtingsstoornis?

Wat ik anders had moeten doen

Kinderen in ontwikkelingslanden trekken jaarlijks duizenden vrijwilligers, met name jonge meisjes, die maar al te graag de ‘zielige kindjes’ willen helpen. Helpen komt dan vaak in de vorm van veel knuffelen en individuele aandacht voor een bepaald ‘lievelingskindje’ (meestal een ontremd type).

Na mijn ervaring op mijn straatkinderen project, heb ik toch geleerd dat dit niet een echte vorm van helpen is. Als je ‘echt’ wilt helpen kan je beter eens een keer gaan koken, zodat de vaste verzorger tijd heeft om met de kinderen een band op te bouwen. De vaste verzorger blijft namelijk. Jij als vrijwilliger bent er tijdelijk.

Nu snap ik heel erg goed dat je je vrijwilligerswerk met kinderen anders had voorgesteld dan alleen maar als klusjesvrouw. Je wilt ook daadwerkelijk met de kinderen omgaan: daar kom je namelijk voor. Houd echter in je hoofd dat je veel duurzamer en beter bezig kan zijn als je juist wél andere klusjes aanneemt.

Wil je toch écht met de kinderen werken?

Dat kan gelukkig wel. Je hoort mij niet zeggen zoals de meesten in het nieuws dat vrijwilligerswerk met kinderen absoluut niet kan. Ik denk zéker dat het kan, maar dan moet het wel op een goede manier gaan.

Zo kan je als vrijwilliger bijvoorbeeld groepsactiviteiten stimuleren. Zo bouw je geen hechte relatie op met één kind en zorg je er juist voor dat de kinderen onderling een betere band krijgen. Als je hier ook nog eens de mensen van het project bij betrekt, heb je helemaal een jackpot. Als jij dan weggaat, dan kunnen de kinderen en de lokale vrijwilligers jouw geïntroduceerde spellen nog steeds samen spelen.

Dit en nog veel meer dingen heb ik de afgelopen jaren geleerd toen ik trainer bij Stichting Muses was. Stichting Muses bereidt vrijwilligers van verschillende organisaties voor op hun tijd in het buitenland. We geven trainingen over hoe je een goede vrijwilliger kan zijn om een meer duurzame en grotere impact te maken. Daarnaast geven we een verdiepende training over het werken met kinderen. Hier laten we zien hoe je wél omgaat met de kinderen op je project en wél een duurzame impact kan leveren.

Daarnaast heb ik de afgelopen vier jaar de pabo en onderwijskunde gestudeerd. Ik heb mijn bachelor scriptie geschreven op een school voor getraumatiseerde leerlingen. Ik heb geleerd hoe leerkrachten zo goed mogelijk om kunnen gaan met getraumatiseerde leerlingen.

Wat kan ik nu met al deze kennis over trauma en hechting?

Al deze kennis heeft er bij mij voor gezorgd dat ik gemotiveerder dan ooit ben om wél met kinderen te werken in ontwikkelingslanden. Waar het nieuws alleen maar schreeuwt dat het niet goed is, komen zij niet met oplossingen.

Het feit is dat vrijwilligers blijven gaan en het feit is dat getraumatiseerde kinderen wereldwijd wel degelijk hulp nodig hebben.

Hoewel vrijwilligers zonder kennis misschien ogenschijnlijk alleen maar extra schade toe brengen bij de kinderen, doordat ze een band opbouwen en weer weggaan en zo de hechtingsproblemen in stand houden. Dit hoeft echt niet. Vrijwilligers kunnen wel degelijk van positieve invloed zijn op zulke projecten.

“Hoe dan Jolande?!”

“Ja, ja, ik vertel jullie mijn mening met alle liefde!”

Zo kunnen vrijwilligers wél een positieve invloed hebben op kwetsbare kinderen met hechtingsproblemen

De vrijwilligers moeten:

  1. Goed voorbereid zijn. De organisatie moet de Nederlandse vrijwilligers informatie geven over de doelgroep waarmee ze gaan werken en hoe ze hier mee om moeten gaan. Er moet onder andere verteld worden dat:
    1. Ze beschadigde kinderen kunnen tegen komen die speciale zorg nodig hebben;
    2. Verzorgende taken en het bouwen van een band aan de lokale en vaste vrijwilligers moeten overlaten;
    3. Voornamelijk groepsactiviteiten moeten stimuleren, waarbij de vrijwilliger zelf geen hechte band opbouwt met één of meerdere kinderen.
  2. Goed begeleid worden. Het feit dat in Nederland iemand tegen de vrijwilligers zegt dat ze wel ‘moeten oppassen’ met deze kinderen, betekent niet dat ze zich hieraan gaan houden. Check mijzelf eens. Ik was wel oppervlakkig gewaarschuwd, maar deed hier vervolgens toch niks mee. Mijn moederinstinct was te groot 😉 Op het project moet goede begeleiding zijn die de vrijwilligers eraan herinnerd dat ze geen hechte relaties met de kinderen moeten opbouwen.

Goede begeleiding krijg je door:

  1. De lokale bevolking voor te lichten. Vele locals zijn zich helemaal niet bewust van het feit dat het komen en gaan van vrijwilligers voor slechte gevolgen kan zorgen voor het kind. De lokale bevolking moet in het proces van informatie delen betrokken worden.
  2. Er moet een aanspreekpunt zijn voor vrijwilligers. Al dan niet lokaal of via een partnerorganisatie. Dit aanspreekpunt komt op de projecten kijken en geeft eventueel nog voorlichting aan de vrijwilligers die de boodschap nog steeds niet begrepen hebben.

De taken van de vrijwilliger zijn voornamelijk:

  1. Ondersteunend voor de lokale bevolking. Vaak zetten de locals zichzelf wat meer op de achtergrond als er vrijwilligers komen. Ze willen namelijk dat de vrijwilligers het naar hun zin hebben (ze brengen immers geld in het laatje, iets wat voor veel projecten hartstikke waardevol is). Daarom laten ze de vrijwilligers voornamelijk doen wat ze zelf willen. Toch is dit vaak niet het beste. Een vrijwilliger kan veel beter helpen door te koken, schoon te maken, of wat voor klusjes dan ook. Zodat de lokale vrijwilligers de kans hebben om er echt voor de kinderen te zijn.
  2. Helpen bij groepsprocessen. Door groepsactiviteiten te doen zorg je ervoor dat je als vrijwilliger geen hechte band met één kind opbouwt. Daarnaast is het leuk voor de kinderen en de lokale vrijwilligers als je met ideeën komt die ze misschien nog niet kenden.
  3. In samenwerking met de lokale bevolking. Zie vrijwilligerswerk als een stage. Dan werk je ook met de kinderen, maar wel altijd met je stagebegeleider erbij. Die stagebegeleider, of in dit geval een lokale vrijwilliger, is dan die vertrouwenspersoon waar deze kwetsbare kinderen zoveel behoefte aan hebben. Door samen te werken kan je als vrijwilliger wel heel veel doen. Maar zorg ervoor dat het voor de kinderen veilig is door een bekend iemand erbij te hebben.

En als allerlaatste:

  1. Zorg ervoor dat als jij weggaat het project gewoon nog door kan gaan. Breng bijvoorbeeld niet elke dag eten aan een kind waar het project niet voor kan zorgen. Als jij dan weggaat, heeft het kind opeens geen eten meer?! Zorg dat je alleen dingen doet die het project ook zelf kan doen. Als jij weggaat dan moet het project niet in een ‘gat’ vallen.

Ter afsluiting aan deze enorme lap tekst

Ik geloof in een positieve wereld waarin wij elkaar samen kunnen helpen. Vrijwilligers dragen dit positieve hart vaak ook bij zich, maar kunnen toch helaas onbedoeld schade brengen. Maar luister naar Nelsons Mandela’s wijze woorden:

Education is the most powerful weapon which you can use to change the world.

Trainingen aan vrijwilligers én aan lokale organisaties kunnen ervoor zorgen dat er echt wel een mooie en duurzame impact gerealiseerd kan worden.

Nee, ik steun absoluut niet de weeshuizen die als onkruid uit de grond spuiten, ‘om de vrijwilligers maar een leuke plek aan te bieden’. Vaak hoor je dat weeshuizen worden gevuld met kinderen die helemaal geen wees zijn, zodat er via vrijwilligerswerk geld verdiend kan worden. Dit vind ik, vanzelfsprekend, niet oké. Maar dit betekent niet dat er geen kinderen zijn die wel écht in een weeshuis terecht komen, omdat ze geen verzorgers hebben.

Ik denk dat een weeshuis geen goede plek is voor geen enkel kind. Toch heb ik de kinderen op straat in Oeganda leren kennen. Is dit dan een beter alternatief? Ik vraag het mij af.

Unicef schat dat er momenteel 140 miljoen (!!!!!!) wezen op de wereld zijn. Dit is meer dan 10 x de bevolking van Nederland. Ga mij niet vertellen dat die geen hulp – in wat voor vorm of van wie dan ook -nodig hebben?

Hoe denk jij dat vrijwilligerswerk met kinderen eruit moet komen te zien? 

Ik ben echt heel erg benieuwd naar jullie ervaringen, hersenspinsels, gedachten en kritische noten!

Wil je meer lezen over hechtingsproblematiek?

  • Lees hier een artikel in het Nederlands die heel concreet stapje voor stapje alles uitlegt.
  • Of lees dit meer uitgebreidere artikel in het Engels. Verdiepend over hoe om te gaan met kinderen met een trauma in onderwijsvormen. (Klik op de bovenste PDF: “Making Space for Learning”)

Meer lezen op Mijn Reisparadijs:

Waarom vrijwilligerswerk met kwetsbare kinderen wél kan!

“Ik denk nog dagelijks terug aan deze deugnietjes” | Straatkinderen in Oeganda

Vrijwilligerswerk gedaan? Word trainer bij Stichting Muses! (Doen! Doe ik ook!)

 Advertentie
 

Social Check-in!
FACEBOOK
FACEBOOK
INSTAGRAM
YOUTUBE
YOUTUBE

Geef een reactie